Overslaan naar inhoud

Hoofdstuk 1: De belofte – Het gouden tijdperk van de vrijheid (jaren 60-70)

2 juni 2026 in
jan

Ik zat vanmorgen in mijn keuken. De radio stond aan – een gewoonte uit mijn jeugd die ik nooit heb kunnen afschaffen, ook al doet die radio me nu vooral pijn. Er kwam een nummer voorbij dat ik niet herkende, maar dat toch vreemd vertrouwd klonk. Twee maten en ik kon de volgende akkoordwisseling al voorspellen. Het refrein? Identiek aan dat van drie andere hits die ik eerder die week had gehoord. De zangeres had een stem als een goedkope strijkijzeren koffer: glad, glimmend en zonder één krasje van echtheid.

Ik draaide de radio zachter, pakte mijn oude Fender Telecaster van de standaard en liet mijn vingers over de fretboard glijden. Toen ik de eerste open snaar aansloeg – een langzame E, zonder effecten, zonder compressing – schoot er een herinnering door me heen. Geen vage, maar een met scherpe randen: 1968. De Amsterdamse poptempel Paradiso. Ik was negentien, mijn haar zat in de war, en mijn bandje heette The Broken Mirrors (een naam die we tien minuten voor het optreden in een wietroes hadden bedacht).


We mochten spelen omdat een vriend van een vriend een vriend was van iemand die de boeking deed. Geen algoritme. Geen TikTok-check. Geen data-analist die bekeek of onze ‘engagement ratio’ hoog genoeg was. Een mens keek ons aan, hoorde ons spelen en zei: “Jongens, dit is raar. Ik begrijp er geen snars van. Ga maar door.”

Die avond speelden we een nummer van bijna twintig minuten. Het begon met een dissonante pianoriedel die overging in een vrije drumsolo, daarna een basloop die nergens naartoe leek te gaan, en eindigde met mij die mijn gitaarsnaar brak en nog twee minuten lang op één snaar bleef improviseren. Het publiek? Sommigen liepen weg. Anderen gingen met hun ogen dicht op de grond zitten. Een meisje met een bloemenjurk begon te huilen – niet van emotie, zei ze later, maar omdat ze de tonen voelde trillen in haar borstbeen.

Na afloop kwam een man met een bruine leren jas en een kartonnen mapje naar me toe. Hij stelde zich voor als Henk van de jongste afdeling van Bovema (toen nog een echt platenlabel, geen sigaar uit een multinational). “Jullie spelen verschrikkelijk uit de maat,” zei hij, “maar dat is precies waarom ik jullie wil. Ik wil jullie niet veranderen. Ik wil jullie vastleggen.”

Dat was de belofte van de muziekindustrie in die jaren. Niet: “Word zoals de rest.” Wel: “Laat ons zien wie je bent – wij zorgen dat de wereld je hoort.”

Platenbazen waren geen boekhouders met hoofdtelefoons. Het waren excentriekelingen, fanaten, soms gekken. Ze gokten op bands zoals je gokt op een paard waarvan niemand de afstamming kent. De ene keer ging het mis – er zijn tientallen obscure psychedelische bands die slechts één album maakten en daarna verdwenen. Maar de andere keer ontstond er iets dat de loop van de muziek veranderde.

Neem The Velvet Underground. Hun debuutalbum uit 1967 werd geproduceerd door Andy Warhol, een beeldend kunstenaar zonder enige technische kennis. Het klonk alsof het was opgenomen in een rioolbuis. De verkoop was rampzalig. Maar platenbaas Steve Sesnick bleef in hen geloven, niet omdat de cijfers dat zeiden, maar omdat hij de ruwe, zenuwachtige energie voelde. Jaren later zei Brian Eno: “Iedereen die dat eerste album kocht, begon een band.” Dat kan vandaag niet meer. Vandaag koopt niemand een album dat slecht verkoopt – omdat de industrie het allang uit de schappen heeft gehaald.


Of neem Pink Floyd in de undergroundscene van Londen. Hun vroege optredens waren chaotisch: achterprojecties, vloeibare dia’s, een gitaarsolo die wel een halfuur kon duren. De platenindustrie had er alle reden om te zeggen: “Maak kortere nummers, anders raak je de luisteraar kwijt.” Maar in plaats daarvan tekende EMI hen, met de belofte dat ze vrij waren om te experimenteren. Het resultaat? The Dark Side of the Moon, een album dat vijftien jaar in de hitlijsten bleef staan – niet ondanks de complexiteit, maar dankzij de complexiteit.


En dan was er nog de radio. De legendarische dj’s zoals John Peel bij de BBC of Wim van Putten bij de VPRO. Zij kregen geen afspeellijst van een algoritme. Zij kregen een stapel platen, een draaitafel en de opdracht: “Draai wat jou raakt.” Peel draaide dan The Fall naast Fela Kuti, en daarna een obscure Finse punkband. Hij geloofde dat de luisteraar slim genoeg was om zelf te kiezen.

Ik herinner me dat ik als negentienjarige ‘s nachts met mijn transistorradiootje onder het dekbed lag, de knop voorzichtig draaiend om Radio Luxemburg te ontwijken en een zender te vinden die iets onverwachts uitzond. En dan kwam het: Can, of Faust, of een live-opname van The Grateful Dead die een halfuur duurde. De DJ praatte er nauwelijks doorheen. Hij liet de muziek ademen.


Dat is de kern van wat we verloren hebben. Adem.

Muziek had ruimte. Stiltes tussen noten. Onverwachte wendingen. Een nummer kon zacht beginnen, uitdijen tot een kakofonie, dan ineens volledig instorten en weer opbouwen. Het was geen product. Het was een gebeurtenis.

En het mooiste was: er was publiek voor. In die jaren waren er platenzaken waar de verkoper je aankeek en zei: “Deze plaat is niks voor jou. Maar deze?” – hij hield Trout Mask Replica van Captain Beefheart omhoog – “deze plaat gaat je leven veranderen.” En hij had gelijk. Het verkocht misschien maar 10.000 exemplaren, maar die 10.000 mensen luisterden er hun hele leven naar.

Tegenwoordig is die winkel verdwenen. Die verkoper werkt nu als algoritme. En het algoritme heeft één boodschap: “Je vindt dit leuk omdat anderen dat ook leuk vinden. Blijf vooral hetzelfde luisteren. Vernieuwing is risico. En risico verkopen we niet.”

Ik leg de Telecaster weer terug in de standaard. Buiten valt de regen op het asfalt. De radio speelt inmiddels een reclame voor een energiedrank, ondersteund door een beat die klinkt als duizend andere beats. Ik zet hem uit.

De stilte is mooier dan wat er nu voor muziek doorgaat.

Maar ik dwaal af – dat is het voorrecht van de zeventigjarige. In de volgende hoofdstukken zal ik u vertellen hoe die belofte werd gebroken. Hoe dezelfde industrie die ons ooit aanmoedigde om vreemd te zijn, ons nu dwingt om allemaal hetzelfde te klinken. En hoe een klein groepje anonieme componisten de wereld ervan heeft overtuigd dat hapklare brokken hetzelfde zijn als een maaltijd.

De titel van het volgende hoofdstuk? De stille overname – of hoe de boekhouders de muziek doodknuffelden.

jan 2 juni 2026
Deel deze post